Theatersport is 'ja' zeggen 

Spits 11-3-2002

AMSTERDAM - Een in het wit gekleed lijk op het podium wordt achtereenvolgens toegezongen door haar belastingadviseur, haar minnares en haar therapeut, allen eveneens in het wit. Na deze korte scène nemen vier in het rood geklede spelers bezit van het podium. Ze verbeelden er de droom van iemand die door een mysterieuze hand de toiletpot in wordt getrokken. Daarbij probeert een van hen tegelijkertijd in dichtvorm de droom te verklaren.

Deze vreemde scènes spelen zich af op een wedstrijdje theatersport in het Creatheater in Amsterdam. De spelers hebben voor deze avond vrijwel niets voorbereid. Dat kan ook niet, want het zijn de toeschouwers die grotendeels bepalen wat er op het toneel moet gebeuren. Zo hebben ze vooraf mogen roepen wat de relatie van de drie zangers tot het lijk moet zijn. Ook het idee voor de nogal bizarre droom is afkomstig van iemand uit de zaal.

Geïmproviseerd theater in wedstrijdvorm waaide in 1988 over uit Canada, toen grondlegger Keith Johnstone een workshop kwam geven in Amsterdam. Inmiddels nemen in Nederland tientallen verenigingen het regelmatig tegen elkaar op. Ook wordt theatersport wereldwijd beoefend en zijn er zelfs internationale toernooien. De basiselementen zijn overal ongeveer hetzelfde; twee teams van vier spelers spelen tegen elkaar met een aantal korte, geïmproviseerde scènes en krijgen daarvoor punten van jury en publiek. Dat publiek mag altijd suggesties aanleveren die de basis van de scènes vormen.

Die suggesties zijn niet de enige vorm van interactie; iedere bezoeker krijgt bij binnenkomst een roos, en mag die bij een ontroerende scène op het toneel gooien. En dan is er natuurlijk de jury; drie strenge figuren met uitgestreken gezichten, die bij binnenkomst steevast uitgejouwd worden door het publiek. Bij te kritische beslissingen en opmerkingen mogen ze met de speciaal daartoe uitgedeelde natte sponzen bekogeld worden.

"De jury is er om eventuele negatieve gevoelens van het publiek op te vangen", legt Bastiaan Smits uit. Vanavond trad hij op als juryvoorzitter. "Soms pakt een scène niet zo goed uit, maar als de jury dan al meteen nul punten geeft, krijgt het publiek toch weer sympathie voor de spelers."

Hoewel het woord 'sport' misschien anders doet vermoeden, is het wedstrijdelement voor de spelers totaal onbelangrijk. "Het is een vorm die het voor het publiek interessanter maakt om naar te kijken", zegt Anja Boorsma. Ze begon twee jaar geleden met theatersport, op aanraden van een van haar docenten aan de Theaterschool. "Ik mocht het van hem niemand vertellen; op school nemen ze dit namelijk totaal niet serieus. Maar hij vond dat ik bij het acteren altijd te veel van tevoren nadacht. Daar kon theatersport me vanaf helpen." Want nadenken is zo'n beetje het laatste wat je bij theatersport moet doen. "Je moet met je eerste impuls meegaan en in het moment durven staan", vertelt Anja. "Het paradoxale is dat om het goed te doen, je het vooral niet goed moet willen doen, en dat je niet krampachtig origineel probeert te zijn", vult Bastiaan aan.

Toch zijn er wel een paar uitgangspunten die theatersport leuker maken voor spelers en publiek. "Het is belangrijk dat de spelers aan het begin van de scène duidelijk maken wie de hoofdpersoon is, en wat de personages van elkaar vinden", zegt Anja. Het publiek moet die verhoudingen meteen kunnen zien om een scène het nodige drama mee te geven.

"De basis van theatersport is acceptatie, je moet 'ja' kunnen zeggen", aldus Bastiaan. "Als je aan een scène begint en iemand zegt 'Goedemorgen, bakker', moet je meteen mee kunnen gaan in het idee dat jij kennelijk de bakker bent. Niks blokkeren dus."

(Guido Verburg - Spits 11-3-2002)

Terug naar vorige pagina...