'Ga gerust met een glimlach af!' 

Tekst: Sylvester Hoogmoed (Vox, 24 januari 2002)

Glimlachend, met al je tanden bloot de mensen toeknikken. Wat danspasjes maken. En vooral wuiven, heel veel wuiven. Dat doe je als theatersporter, wanneer je uit de zaal hoort roepen: ‘Maxima!’ Theatersport is de meest interactieve vorm van theater. Wat het publiek roept moeten de spelersteams al improviserend zien uit te beelden. Ze worden vervolgens beoordeeld door een jury en het publiek. In Nijmegen heeft vrijwel ieder podium zijn eigen theatersportvereniging. In Het Oude Weeshuis (Papengas 8) speelt iedere derde zondag van de maand Zonder Voorbehoud, waarin Cécile, Frank, Wieteke en Xandra meespelen. Hoewel er ook elders in Nederland veel aan theatersport gedaan wordt spant Nijmegen de kroon, constateren zij. Frank: “Dat komt, je hebt hier cursussen op de Lindenberg. Na afloop daarvan gaan cursisten vaak als groep verder. Daarnaast heb je het studentencircuit, waar ook groepen uit voortkomen. Nijmegen is trouwens de bakermat van de theatersport in Nederland. Op de Geest is er een jaar of twaalf geleden mee begonnen in het Steigertheater.” Cécile: “Maar vooral de afgelopen vijf jaar is het enorm populair geworden, met name binnen de studentenwereld.”

De naam theatersport is wat misleidend. Toneelspelers uit ’het echte theater’ moeten er vaak weinig van hebben. Wieteke: “Op toneelscholen raden ze het af, omdat ze bang zijn dat leerlingen anders te grof worden in hun spel, zich niet meer voldoende kunnen inleven. Wat wij doen is nogal van de hak op de tak.” Cécile: “Soms spelen acteurs een avondvullend stuk dat totaal geïmproviseerd is. Maar die gaan dan toch meer de diepte in dan theatersporters.” Ook met sport heeft theatersport weinig te maken. Xandra: “Het gaat niet om het winnen, maar om het speelplezier, voor ons en voor het publiek.” Verliezen vinden theatersporters geen probleem, en zelfs ‘afgaan’ op het toneel gaat ze gemakkelijk af. Frank: “Een belangrijke theatersportwet is: ‘Ga gerust met een glimlach af’. Maar meestal is het eerder zo dat je zelf het gevoel hebt dat het niet goed ging, terwijl het eigenlijk best meeviel.” Cécile: “Het is ook echt een teamsport: wanneer je zelf een keer je dag niet hebt dan weet je dat de drie anderen je wel komen helpen.” Wieteke: “Maar als je toch afgaat moet je ook glorieus afgaan: voluit! Dan win je de sympathie van het publiek.”

Ter voorbereiding op een ‘wedstrijd’ doen de spelers een warming up. Cécile: “Om ons los te maken en over de drempel heen te halen springen we wat, spelen kleine scènetjes met elkaar en doen stemoefeningen.” Daarnaast zijn er trainingen. Xandra: “We oefenen een avond per week om op elkaar ingespeeld te raken. Ook trainen we op het uitbeelden van verschillende emoties.” Maar echt voorbereiden op een wedstrijd dat kan niet. Frank: “Het onverwachte, dat is de magie van theatersport. Je gaat daar staan en weet niet wat je gaat doen. Het publiek ziet dat. Als het kwartje dan valt is dat geweldig! Naarmate je er langer over nadenkt hoe je iets moet uitbeelden lukt het minder goed. Dan verdwijnt de magie.”

© Sylvester Hoogmoed, 2002

Terug naar vorige pagina...